Twan Simons
Twan Simons Foto: Dennis van Loenhout

Volluk: Wout

Algemeen

Wout was als kind altijd al bijzonder; ‘dat komt omdat ze bij de geboorte (in 1919) te hard aan hem hebben moeten trekken’, zo sprak zijn vader altijd over hem. Wout was groter dan alle andere kinderen van zijn leeftijd en ook zijn handen en voeten waren overmaats. Als kind had hij er al last van, want hij zag er veel ouder uit dan zijn leeftijdsgenoten.
Als er sporadisch een bezoek was van een tante dan was het altijd van: ‘zo wat een grote jongen ben jij, en kan die nog niet lopen?’

Wout groeide op in de bossen tussen Klavervelden en Zoomvliet. Zijn vader was een keuterboertje op deze arme zandgronden. En het boerderijtje stond aan een zandweg van ongeveer drie meter breed, het was in de zomer smoor en in de winter modder. Nu moet je beseffen dat de stad Bergen op Zoom zowat stopte na de spoorlijn/Parallelweg. Oh ja, je had ook nog de Balsebaan. Hierna was alles weiland, akkers en bossen. Waar nu Lievensberg is, was toen een weiland waar ze koeien stalden die bestemd waren voor het abattoir in Bergen. De familie moest voor deze dieren zorgen en mocht ze dan ook melken. Die melk mochten ze voor eigen gebruik houden, dit als bijverdienste.
Wout woonde daar met twaalf broers en zussen. Naar school gingen ze op Borgvliet en omdat het via de zandpaden langer lopen was, hadden ze een paadje dwars door de bossen gecreëerd om zo na 2 kilometer op Borgvliet te eindigen. Over dit pad kon je alleen achter elkaar lopen en je moest ook nog een slootje oversteken. Ook naar de kerk gingen ze over dit pad en omdat ze maar één paar leren schoenen hadden, moesten ze om beurten naar de Heilige Mis. Zo konden ze van schoenen ruilen, want ja, je moest op schoenen naar de kerk in plaats van op klompen. Omdat Wout de grootste voeten had, had moeder gekozen voor een grote maat. Dus Wout had passende schoenen en de jongens onder hem moesten krantenpapier meenemen om ze op te vullen.
Nu was Wout wat traag van begrip en tegenwoordig zouden er allemaal deskundigen hem onderzoeken op school en zo bij een doelgroep laten horen, maar dat bestond toen allemaal nog niet. Al gauw werden deze kinderen achteraan gezet en moesten ze het zelf maar uitzoeken.
Wout was daardoor heel erg op zichzelf en thuis was hij het liefst met de boerderijdieren bezig. Hij hielp zijn moeder met het slachten van een haas of konijn, die liepen daar in de buurt in overvloed. Ook was hij heel handig in het vangen van mollen, alle buren kwamen hem halen als ze er last van hadden in de weilanden. De velletjes bewaarde hij bij de konijnenvellen, weggestopt op zolder. Geregeld kwam er op de fiets een opkoper vanuit het Heike, waaraan Wout de mollenvellen voor enkele dubbeltjes en konijnenvellen voor enkele kwartjes verkocht. Zo had hij geld om naar de potjeskermis in Bergen te gaan. Verder kwam hij de stad niet in.
Later moest Wout gaan werken en dat was niet echt een succes. Vele baantjes volgden, maar omdat hij zo groot en sterk was lieten ze hem alleen de zwaarste karweien doen. Dat zinde hem niet en het liefste was hij nog bij de suikerbietencampagne. Dit was drie maanden hard werken in de fabriek maar daarna konden ze allemaal ‘in de ww’.
Nee, Wout had geen vak geleerd en gecommandeerd worden zinde hem helemaal al niet. Hij was echt een Einzelgänger. Wel ging hij als jonge kerel met zijn broers en bekenden mee om te smokkelen, dit was in de jaren ‘30 een lucratieve bijverdienste onder de grensbewoners. Door de bossen van Wouwse Plantage vertrokken ze te voet, met boter en kaas in een zak op hun rug de grens over en in een Belgisch cafeetje ruilden ze dat weer tegen tabak enzovoort die ze dan in Nederland weer aan een sjachelaar verkochten. Nu was dit niet zonder gevaar, want de commiezen (marechaussee of douane) wisten dit ook en traden hier hardhandig tegen op. Het gerucht ging dat ze dan zelf een deel verkochten, maar dat weet je niet van mij.
De commiezen lagen langs het bospad in een hinderlaag en als ze je betrapten was je alles kwijt. Wout werd een stukje vooruit gestuurd, lopend met een fiets aan de hand en een zak op zijn rug, daar zat echter alleen beschimmeld brood in. Wanneer Wout zo’n hinderlaag passeerde werd hij aangehouden en ging dan tekeer als een speenvarken. ‘Van de schrik’ zei hij dan, maar zo waarschuwde hij de achteropkomers, zodat die konden vluchten. ‘Ik ben in slaap gevallen in het bos’ zei hij dan als excuus ‘en ben ook de weg kwijt’ en wees dan op zijn platte band. Wout heeft heel zijn leven zowat naast de maatschappij geleefd. Ik noem hem een paradijsvogel en helaas zijn die er tegenwoordig steeds minder.

Hij was in de kost bij familie en scharrelde alles bij elkaar wat hij nodig had. Hij had zijn motoriek niet mee, was onhandig en alles ging kapot wat hij aanraakte. Dus geen enkele baas was blij met Wout. Er zijn personen die niet in de weg gelegd zijn om te leven net als de meeste andere mensen.

Tot de volgende Volluk, 

Twan Simons