
Volluk: Lagere school
AlgemeenIk heb het al meer gehad over mijn lagere schooltijd op de Hadrianusschool in Halsteren. In de jaren ‘60 bestond het basisschool systeem nog niet; wat nu groep 3 is was toen de eerste klas.
En ik vond dat eerste schooljaar reuze spannend, en als oudste kind thuis heb je geen broer of zus die al iets met boeken deed. En verder was er bijna niets voor peuters om iets te leren.
Net als iedereen leerden we letters en zelfs woordjes, die we al bijna foutloos konden schrijven met onze kroontjespen en inktpot. Verder ontdekten we de cijfers en we leerden tellen.
Na enige tijd konden we dit alles ook lezen, we hoorde erbij in de wereld
De jaren daarna leerden we vooral uitbreidingen van de bovenstaande vaardigheden, heel belangrijk vond ik de tafels die we met heel de klas opdreunden. Je leerde er goed hoofdrekenen.
Wat mij altijd wel tegenstond was de waardering die we voor ons dictee of, nog erger, voor onze proefwerken kregen. Men ging er niet van uit wat je wel wist, maar het punt hiervoor werd bepaald door het aantal fouten dat je had gemaakt. Dus een moeilijke opdracht met 4 fouten was een 6 en nog erger 5 fouten was een 5 en dat was ‘onvoldoende!’. Ongeacht de lengte van het vraagstuk of het aantal moeilijke woorden in een dictee.
Later merkten we dat ik moeite had met het volgen van lessen vanaf een volgeschreven bladzijde. Onderaan het blad aangekomen, wist ik niet meer wat er bovenaan stond. Van concentratieproblemen had niemand gehoord, en thuis vonden ze dat ik maar beter moest opletten, maar hoe?
In mijn latere leven had ik op een cursus geleerd hoe je moet leren (de belangrijke dingen overschrijven en die van buiten leren). Ik slaagde zelfs voor boekhouden en rechts- en wetskennis met goede punten.
Ook ontdekte ik later dat wanneer ik begeleiding had van een mentor en zo samen de praktijkproblemen onder de knie kreeg, ik wel overal goed doorheen rolde.
Nee, het klassikaal onderwijs was niet mijn lievelingsding. Trouwens, ook andere leerlingen die niet zo goed mee konden werden nooit apart genomen. Zo van ‘wat scheelt er, waar heb je moeite mee, gaat het wel goed met je, ook thuis?’ Het zal wel iets te maken hebben met de overvolle klassen van toen, maar ook het systeem van toen ‘de school heeft altijd gelijk’ heeft daaraan meegeholpen.
Vooral het voor het bord komen was voor mij een marteling. Ik moest uitleggen wat een liter is, ik wist niet waar het over ging en raakte steeds verder in paniek. Op elk stom antwoord van mij lachte heel de klas, nou daar sta je dan als tienjarige, ik stond voor paal.
Later bleek het om een litermaat te gaan en nee, die hadden wij thuis niet. En ook geen weegschaal, mijn moeder schatte alle ingrediënten als ze kookte!
Later wist ik wel dat de melkboer zo’n litermaat van ijzer bij zich had om taptemelk - deze zat in een grote melkbus - af te meten. Wordt vervolgd.
Tot de volgende Volluk,
Twan Simons













