Jo Luijks toont een foto van haar vader bij zijn door de Duitsers in beslag genomen Chevrolet-bedrijfswagen.
Jo Luijks toont een foto van haar vader bij zijn door de Duitsers in beslag genomen Chevrolet-bedrijfswagen.

“Ook mijn vader moest de oorlog in”

Algemeen

LEPELSTRAAT / STEENBERGEN  – Ze woont alweer jaren in Steenbergen, maar in Lepelstraat is Jo Luijks nog steeds een bekend gezicht. Haar vader Piet runde er zijn supermarkt, een familiebedrijf dat in 1995 na bijna 100 jaar de deuren sloot. Toen ze onlangs haar zolder opruimde vond ze enkele kaarten die haar vader tijdens de mobilisatie van 1940 naar zijn gezin stuurde. Die brengen de oorlog ineens weer heel dichtbij.

Elke ochtend is Jo Luijks (82) vroeg wakker, en ze begint de dag steevast met het nieuws op tv. Daar ziet ze berichten over oorlogen in Gaza en Oekraïne, die haar doen meeleven met al die jonge jongens die gemobiliseerd worden voor het vaderland en zo worden geconfronteerd met de gruwelijkheden van de oorlog. Hoewel haar vader, Piet Luijks, er nooit over wilde praten weet ze inmiddels dat zijn mobilisatie in 1940 voor hem – en voor haar moeder – een loodzware tijd was. Daaraan werd ze herinnerd toen ze bij het opruimen van haar zolder twee briefkaarten vond die Piet in mei 1940 vanuit Delft, waar hij was gelegerd, naar huis in Lepelstraat stuurde.

“Geliefde vrouw en kinderen, hiermede bericht ik u in de beste gezondheid en welstand te verkeren. Ik ben helemaal weer opgeknapt en in oude doen. Hoewel ik tot heden taal noch teken van u heb gehoord leef ik in de hoop dat jullie ook allemaal nog springlevend zijn.” 

In zijn op 19 mei 1940 gedateerde briefkaart klinkt Piet Luijks in de verte laconiek, maar dat verbergt niet de angst die hij voelt bij de oorlog waarin hij zich als gemobiliseerd militair bevindt, en die ook thuis in Lepelstraat in alle hevigheid woedt. “Mijn vader heeft heel wat meegemaakt”, zegt Jo Luijks bij het lezen van de kaart, “hij praatte er nooit over, maar ik weet wel dat één van zijn maten bij aankomst op het station in Delft is doodgeschoten door een laffe Duitser. Dat moet een enorm trauma voor hem zijn geweest, en hij wist ook niet hoe het thuis ging, maar daar had hij wél een kind in de wieg liggen, want in 1940 was mijn broer Marijn - die in zijn latere leven aan de wieg van De Halsterse Krant zou staan - net geboren. Ik ken die tijd niet, ik was er nog niet, maar het moet heel zwaar zijn geweest. En als ik dan het nieuws op tv zie denk ik aan die jongens in Oekraïne, die ook gemobiliseerd worden en naar de oorlog moeten. We zijn 80 jaar verder, maar die maken hetzelfde mee als mijn vader in 1940. Want ook zij zullen bang zijn.”

Kort na die ansichtkaarten werd duidelijk dat het Nederlandse leger geen weerwoord had voor de Duitse invasie en keerde Piet Luijks terug naar Lepelstraat. Daar zette hij zo goed en zo kwaad als het ging zijn winkel, aan de Steenbergseweg bij café De Handwijzer, voort. De bezetter maakte hem dat moeilijk, door zijn Chevrolet-bedrijfswagen in beslag te nemen: “Dat was zijn boterham”, zegt Jo, “maar daar trok de bezetter zich niks van aan.” Later is Piet er getuige van hoe Duitse soldaten de explosieven aanbrengen waarmee de kerk van Lepelstraat wordt opgeblazen.

Van haar zus Nel hoort Jo later hoe haar vader in 1944 toekijkt hoe een groep Duitse tanks uit de steeg bij de Vossenjacht komt snellen en zich hardop afvraagt of de oorlog ooit nog voorbij zal gaan. Als hij zich ergert aan de door de Duitse tanks kapotgereden klinkers kijkt hij op en ziet hij in de verte weer een groep tanks verschijnen, Canadese dit keer. Dan volgen de tranen, want in die tanks zitten de bevrijders van Nederland. Piet Luijks zal echter tot zijn dood in 1958 terugdenken aan zijn korte tijd als gemobiliseerd soldaat. En ook Jo wordt haar hele leven herinnerd aan de oorlog die ze nooit meemaakte, want haar in 2021 overleden echtgenoot Cor Timmermans kreeg als kleine jongen scherven in zijn been toen hij een vriendje op een achtergebleven mijn zag lopen.

“Elk jaar ga ik naar de dodenherdenking in Lepelstraat. Dit jaar ook. Dit jaar zéker, want ik vind het een enge tijd. Op het journaal zie je overal geweld en overal oorlog. In Oekraïne is het een hel, in Gaza is alleen maar geweld en Trump vind ik een bullebak”, zegt ze, “maar ik denk ook aan mijn vader. We gingen vroeger vaak naar de camping in Renesse, waar veel Duitsers kwamen. En daar was hij altijd vriendelijk tegen. ‘Ik zal ze niet ophemelen, maar haten zal ik geen mens’, zei hij dan. Dat vind ik een wijze les.”

Twee ansichtkaarten die Piet Luijks in mei 1940 naar huis stuurde, bij een foto van hem met zijn volledige gezin, gemaakt in de jaren '50.