
Volluk: Spelen op straat
AlgemeenOp de vorige Volluk over de straat waar ik ben opgegroeid en die nu deels wordt opgewaardeerd heb ik veel reacties gehad, veelal over het buitenspelen op straat, wat toen, in de jaren ‘60 nog gewoon was.
Het is natuurlijk niet zo dat er nu niet meer wordt buiten gespeeld, je moet op een mooie dag maar eens op de pleintjes kijken, er is gelukkig nog een drukte van belang.
De reacties waren meer over de spelletjes die je nu bijna nooit meer ziet, en altijd ging het erover dat wij speelden met speelgoed wat bijna geen geld had gekost. Een vlieger maakten wij zelf van wat dunne latjes, krantenpapier en klauwtouw, deze dingen waren altijd wel ergens te vinden in een of andere schuur.
Ook was het als donderslag bij heldere hemel ineens knikkertijd. Knikkers lagen altijd wel ergens in een kast, met de hak van je schoen in het zand een rondje draaien en er was een putje ontstaan, wat wij een ‘loeleke’ noemden. Hups, spelen en winnen of verliezen maar.
Ook tollen was zo’n tijdsperiode, je moest alleen een vlakke stoep vinden. De kleintjes met een stok en touwtje en dan slaan tegen de tol, de grotere jongens met een haktol. Deze was van hout en had een scherpe punt onderaan. Je kon wel eens naar een andere draaiende tol gooien en deze doormidden splijten, wat steevast op brullen of ruzie uitliep.
Pijl en boog of een katapult werden door oudere broers uit een boomtak gesneden, en zo hadden we weer iets wat niets kostte.
Het was een uitzondering dat er iemand een leren bal had, en we konden voetballen. De eigenaar was dan tijdelijk ieders vriend, totdat hij kapot geschoten was en we weer op een andere bal moesten wachten. Het was ook een uitzondering dat er meerdere leren ballen in omloop waren. Wel hadden de meisjes ballen waarmee ze tegen een hoge muur jongleerden.
Ook touwtjespringen was er altijd, met een lang touw en dan een hele groep om de beurt inspringen. De oudere meiden deden aan sneldraaien of met twee touwen, die tegen elkaar in draaiden.
Ook hadden de meisjes vaak een plastic bal en dan deed heel de straat mee met blikspuit. Een bal werd op een conservenblik gelegd en die werd heel hoog weggeschoten. Alle kinderen gingen zich verstoppen en de buut moest de bal ophalen en de anderen zoeken en aftikken. Dit was vaak op het Sint Maartensplein, alwaar veel bosjes en heggen stonden.
Ook speelden wij in onze straat een spel dat ‘patternullen’ werd genoemd, ik dacht dat dit meegebracht was door een gezin uit Indonesië. Je maakte twee groepjes, de spelers en de vangers, de ene achter en de andere, voor een sleufje in de grond van zo’n 25 cm. Ook had men twee stokjes een van ongeveer 10 cm en een van 30 cm. Je maakte de sleuf in (hard)zand en legde daar dwars het kleine stokje over. Met de lange stok maakte je een beweging door de sleuf, en liftte zo het kleine stokje op. Als het goed was vloog dat door de lucht en kon gevangen worden (of niet).
Poging 2 was de stokjes in één hand, het kleine stokje opgooien en met de lange stok wegmeppen. Ook hier moest men weer proberen te vangen. Poging 3: de gleuf had een voorzijde die zowat 45 graden was gemaakt, het kleine stokje er half in en dan met de grote er een mep op geven. Dit mocht meerdere keren achter elkaar in een beurt (als je goed was). Er was ook een puntentelling bij, maar daarvoor is er nu geen ruimte om dit uit te leggen. Heel vaak eindigde dit spel met een slachtoffer die een stok ergens tegen zijn lichaam kreeg en dan een sireneachtig gegil uitkraamde.
Als ik zo zit te schrijven kan ik wel heel de krant volkrijgen over buitenspelen in vroeger tijd.
Tot de volgende Volluk,
Twan Simons














